Films en seriesFilms en series
Posts tonen met het label Robin Hood: Prince of Thieves. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Robin Hood: Prince of Thieves. Alle posts tonen

zaterdag 18 november 2023

Michael Kamen (1948 - 2003)

Vandaag is het twintig jaar geleden dat filmcomponist Michael Kamen overleed. Kamen verzorgde in 1989 de muziekscore voor Licence to Kill.


James Bond was voor Kamen een eenmalig uitstapje nadat John Barry na The Living Daylights én geen zin meer had in een zoveelste Bond-score én een levensbedreigende operatie moest ondergaan waardoor hij tijden lang uit de running was. Kamen gooide in die periode hoge ogen met zijn muziek voor blockbuster actievehikels Lethal Weapon (1987) en Die Hard (1988). James Bond paste naadloos in de rijtje.

De Amerikaanse componist had vooral zin in het schrijven van de titelsong. Echter ging die troef aan zijn neus voorbij, terwijl hij naar eigen zeggen een prima nummer had geschreven. Ook de eindtitelsong mocht hij tot grote teleurstelling niet verzorgen.

Kamen leverde een muziekscore af die minder makkelijk in het gehoor ligt. Minder melodieus en thematisch als het werk van zijn voorganger John Barry. Het wat atypische Bond-geluid paste desondanks als gegoten bij de hardere en serieuzere toon van de film. Dat is al gelijk hoorbaar bij de eerste klanken van de dramatische gunbarrelmuziek.

Samen met Eric Clapton, met wie hij eerder samenwerkte aan de Lethal Weapon-films (deel 2 stamt uit hetzelfde jaar als Licence to Kill), percussionist Ray Cooper en de originele gitarist van de James Bond Theme Vic Flick, nam Kamen een speciale versie van het James Bond-thema op. Deze poging viel echter zo tegen dat het diep werd opgeborgen… tot vorig jaar deze track bovenwater kwam. Oordeel zelf.

Enkele jaren na het mislopen van een officiële Bond-song vond Michael Kamen alsnog gerechtigheid en veroverde hij samen met Bryan Adams de hitparades met (Everything I Do) I Do It for You voor de avonturenfilm Robin Hood: Prince of Thieves. De heldhaftige ouverture van die film is en blijft weergaloos en mag gerekend worden tot Kamens bekendste thema.

Naast eerder genoemde films schreef Michael Kamen de muziek voor onder andere: Brazil (1985), Edge of Darkness (1985) van Martin Campbell (1985), Highlander (1986) met Sean Connery, Last Action Hero (1993), Mr. Holland’s Opus (1995), 101 Dalmatians (1996), Event Horizon (1997), The Iron Giant (1999), X-Men (2000) en Band of Brothers (2001).

De componist kreeg in 1997 te horen dat hij aan MS leed. Op 18 november 2003 werd een hartaanval hem fataal. Michael Kamen overleed in zijn woonplaats Londen. Hij werd 55 jaar.

In 2004 droeg Annie Lennox haar Oscar op aan haar dierbare vriend Michael Kamen.

maandag 1 mei 2023

Never Gonna Give Up

Met mijn jongste dochter heb ik onlangs mijn favoriete Robin Hood-film gekeken: Prince of Thieves. Kort daarop vroeg zij of we nog zo’n soort film hadden. Niet omdat ze Robin Hood nou zo goed vond, meer om er samen gezellig naar te kijken. Ondertussen zetten we in de meivakantie iedere avond een film op. Ze is alleen nog niet op het idee gekomen een James Bond-film te noemen. Ik zal mijn hints opzichtiger moeten maken.


Toen ik zelf in mijn tienertijd zat, was het filmaanbod op het thuisscherm een stuk kariger. We hadden op een goed moment weliswaar een videorecorder, maar films huren deden we zelden. We namen van alles op van tv, met name als we niet thuis waren. Of er moest een keer een film komen die we meenden vaker te willen zien.

Zoals Flodder bijvoorbeeld. Op een goed moment uitgezonden door de Avro, aangekondigd door Hans van der Togt. Ik had Flodder ‘per ongeluk’ al eens op een kinderpartijtje gezien. Woest waren mijn ouders; ik had het prachtig gevonden. Toen de film op tv verscheen en daarmee op onze VHS-band, had mijn vader de avond daarna bij álle blootstukjes de speler weer even op record gezet, zodat de film om de haverklap werd onderbroken door Never Gonna Give You Up van Rick Astley. Ik vraag mij af wat erger is…


Ondertussen is mijn persoonlijke cinematheek van dvd en blu-ray zodanig uitgegroeid dat we iedere avond met gemak een titel kunnen bekijken zonder ook maar één dag in herhaling te vallen. Is er een film die we willen zien die ik niet op fysieke schijf heb, dan bieden Netflix en Prime dikwijls soelaas. De realiteit is weerbarstiger; ze kijken liever naar YouTube of klikken aan de lopende band hartjes op TikTok.

Een zekere dwang is daarom pedagogisch verantwoord. Of zelfs noodzakelijk. Niet dat mijn filmsmaak nu zo uitermate verfijnd is, maar een bepaalde basiskennis van de klassiekers mag onderhand wel worden aangeboord. Ik werd in mijn vroege tienerjaren immers ook gegrepen door een filmpersonage waar ik tot de dag van vandaag niet over uitgepraat raak.

Mijn oudste heeft dat met Harry Potter. Die films heeft ze inmiddels van voor naar achter versneld en in slow motion gezien. Spider-Man zag ze in de bioscoop en thuis is het vooral Stranger Things, Heartstopper (want daar komen tenminste geen blote vrouwen in voor) en op dit moment de zoveelste keer Shameless. Als ik een opmerking probeer te maken dat er meer te zien is op deze wereld, hoeft zij met gefronste wenkbrauwen enkel drie keer op haar voorhoofd te tikken: nul-nul-zeven. Ze heeft nog gelijk ook.

Hoe anders was dat vroeger als ik met mijn vader meekeek: Papillon, The Towering Inferno, Tom Horn. Of Sergio Leones Dollarstrilogie. Films die ik nog steeds met plezier terug kan zien. Hij had het ook altijd over De kanonnen van Navaronne en Het gebeurde in het Westen, films die hij weer met zíjn vader had gezien. En zo is het toch je plicht als ouder om je nakomelingen ook op dit vlak op te voeden.

Dat doe ik dan vaak achteloos. Als zij op hun telefoontjes zitten, schuif ik er regelmatig een schijfje in. Laatst probeerde ik dat met The Fugitive, een film die ik kan blijven kijken. Dan roep ik bij de scène op de dam: „Let op!” Ik roep dat altijd iets te vroeg, waardoor ze op het moment suprême alweer wegkijken en de sprong dus nooit hebben gezien. Als in de begintitels van de film de naam van Jeroen Krabbé verschijnt, wil ik dat ze dit zelf opvalt: „Kijk kijk!” Tot nog toe heb ik hier geen enkele reactie op gekregen.


Bij het samen kijken naar Robin Hood (Prince of Tyfus, zoals zij zegt) ervoer ik diverse geluksmomentjes. Je ziet zo’n film dan toch weer door andere ogen. Naast al het spektakel dat voor een eerste keer een enorme beleving is, ook bij een film van meer dan dertig jaar oud, is daar vooral de laatste scène. „Nu komt het!” Een moment van stilte. En dan de herkenning: „Hé, is dat James Bond?” Kippenvel. Trots als een pauw op mijn dochter én op Sir Sean die daar niet veel meer hoeft te doen dan twee tellen aanwezig te zijn om de hele film op te eisen. Dan de eindtune van Bryan Adams waar zelfs de oudste van opveert. Verwondering: „Is dat uit deze film?”

Indiana Jones? Ik hou niet van indianen. Jurassic Park? Bah, dino’s. Jaws? Eng! Ik kan niet wachten om dat allemaal met ze te gaan zien. Zo ook The Silence of the Lambs. Daar wacht ik nog een paar jaartjes mee. Bumperkleef vonden ze ook te eng. Die wil de jongste alleen met een schuin oog afkijken, want ze is wel benieuwd wáárom die enge meneer dat gif spuit.

Het alternatief werd Mrs. Doubtfire. „Serieus?” „Het gaat over een gescheiden vader die zijn kinderen wil zien en zich daarom verkleedt als nanny.” „Dat klinkt wel leuk.” „En natuurlijk gaat alles mis.” De oudste in alle staten, want als zij ergens jeuk van krijgt is dat het. Man vs. Bee ging er bij haar daardoor ook niet in, terwijl de jongste en ik ons hebben bescheurd.


Wij dus met z’n tweetjes naar Robin Williams kijken, die zij weer herkent als Peter Pan uit Hook. Dan opeens: „Hé, is dat James Bond?” Want ook hier weer een James Bond. Puur toeval, ik zweer het, maar wat fijn dat je het ziet. Toen ik Mrs. Doubtfire destijds in de bioscoop zag, was mij Pierce Brosnan totaal niet opgevallen. Pas toen ik de film jaren later terugzag, viel het kwartje dat ik James Bond vóór GoldenEye al eens op het witte doek had gezien. „Hoeveel keer is hij James Bond geweest?”, is de vervolgvraag. Goh wat leuk die interesse. Zal het dan toch?

Toen ik net vader was, heb ik mijn oudste babydochter al eens Dr. No voorgeschoteld. Ze kon amper scherp zien, het was meer het idee dat de eerste film die zij ‘zag’ de eerste Bond-film was. Ik verkeerde ook in de illusie dat mijn James Bond-koffertje uit 2006 een bijzonder koffertje was, waarvan mijn kinderen vanaf jonge leeftijd wisten: als we later groot zijn, mogen we er eindelijk naar kijken. Het koffertje bleek enkel een tussenoplossing te zijn voor de Special Editions en de blu-raybox. Ik heb hem vooral vaak uitgeleend aan vrienden en familie die graag de Bond-reeks wilden bingen. Mijn dochters vinden het vooral een bijzonder vervelend koffertje dat in de weg staat.

Voordat ik deze column instuurde, heb ik ze deze tekst laten lezen. En ja hoor, vanavond staat de eerste James Bond-film op het programma! Hun reactie: „Dat hebben we helemaal niet gezegd!”

Never Gonna Give Up…

Deze column verschijnt ook bij James Bond Nederland.

zondag 1 november 2020

De dag die je wist dat zou komen

Voor een bepaalde tijd was er voor mij maar één James Bond. De man die mij de Bond-mythe heeft ingezogen. Met zijn ogen, met zijn stem, met zijn postuur. Zijn nonchalance, zijn elegance, zijn meedogenloze blik, zijn harde knuisten.

Met Lois Maxwell in Dr. No (1962)

From Russia with Love (1963)

Met de blik van een kind, een tiener in mijn geval, valt die eenkennigheid te verklaren. Ware het niet dat dertig jaar daarvoor miljoenen bioscoopgangers wereldwijd diezelfde mening was toegedaan. Er was maar één iemand die James Bond gestalte kon geven. Zelfs de producenten konden zich geen andere acteur in de rol voorstellen. En toch moesten ze wel, want deze had er al gauw geen zin meer in.

Het is het nieuws wat je niet wilt horen. Het nieuws waar ik de laatste zoveel jaar toch om de dag, zo niet dagelijks, wel even aan heb gedacht, al is het in een split second. Om daarna door te gaan in de wetenschap dat hij er gelukkig nog is. Omdat… Gewoon, omdat het een fijne gedachte is.

Zaterdag aan het eind van de ochtend zie ik een tweet van schoondochter Fiona Ufton. Niet mijn schoondochter, zíjn schoondochter. Een foto van mijn jeugdheld. Geen tekst, alleen een foto. Mijn hart slaat een tikkie over. Daaronder twee reacties. Niets bijzonders.

Waarom zou iemand niet zomaar een foto van haar schoonvader mogen plaatsen? Het is nog een goede foto ook. Toch zit het me niet lekker. Ik wil reageren dat dit niet handig van haar is om te doen. Terwijl ik de juiste woordkeuze probeer te vinden — ik wil niet overkomen als een zeurpiet, noch als een mallotige fan — verschijnt de eerste condoleance al in mijn telefoonscherm. Het nieuws waarvan ik wist dat het ooit zou komen, is wereldkundig gemaakt.

Een gevoel van treurnis overvalt mij. Gelijk ook een gevoel van acceptatie. Het is vast goed zo. Negentig jaar, waarvan de laatste levensjaren in de luwte (het is hem meer dan gegund), een broze gezondheid, zo vermoed ik althans.

Over zijn welbevinden is de laatste jaren weinig naar buiten gekomen. Wel gonst al langere tijd het gerucht dat het in zijn bovenkamer niet zo jofel meer was.

Rond zijn tachtigste maakt hij kenbaar geen publieke optredens meer bij te wonen. Geen premières meer, geen interviews, geen Hollywoodgedoe. Hij is met pensioen, hij gaat alleen nog maar golfen, en dat bevalt hem meer dan uitstekend. Een teruggetrokken bestaan omringd door zijn naasten. Hier en daar nog een tenniswedstrijdje meepikken. Het is een besluit geheel in lijn met zijn eigenzinnigheid. En hij houdt zich er aan.

Krijg je natuurlijk wel verhalen. Want waarom verschuilt hij zich van de een op andere dag? Moet je net een vriend hebben die Michael Caine heet en tegen het Duitse Bild vertelt dat het niet zo goed met meneers geheugen gaat. Onzin, aldus Caine niet veel later. Zo heeft hij dat nooit gezegd. Waar halen die malle Duitsers het vandaan!

Met Michael Caine, 1998

Een foto hier en daar toont nog immer een struise man, broek hoog opgetrokken, soms met onzorgvuldige plukken haar in de wind, wat dunner in de nek, maar nog steeds met die wenkbrauwen. Blauwe plekken, een loopstok, een persoonlijke begeleider. Hij is gevallen en toch weer opgekrabbeld. Zie hier het leven van een gemiddelde senior, kan de beste overkomen.

New York City, 2013


Het aantal foto’s wordt schaarser, wat we dan toch te zien krijgen toont een zichtbaar ouder wordend gelaat, de ogen holler. Enkele candids van een verlopen man zijn werkelijk niet om aan te zien. Was Michael Caine dan per ongeluk toch goed geciteerd?

Met Saskia, 2018

Kleine rots in de branding is kleindochter Saskia, de dochter van Stephane, de zoon van zijn vrouw Micheline. Saskia post op Instagram zo af en toe een lieve foto van zichzelf met haar grootvader. Haar held. Mijn held. Ze geeft hem een kus. Dat doet zij ook namens mij.

In augustus, op de dag van zijn negentigste verjaardag, doet zij dat opnieuw. Een foto met opa en oma. Weer die kus. En wat ziet hij er eigenlijk goed uit. Behoorlijk oud, natuurlijk, maar hij lacht, kijkt vrolijk uit zijn ogen en staat er net gekleed bij. Alleen dat overhemd. Had hij dat twee jaar geleden ook niet aan op zijn verjaardag? Even terugbladeren. Verdomd. Datzelfde zalmkleurige shirt, alleen de pantalon is anders. Zal dit een foto van zijn 88e verjaardag zijn?

Het overlijden van Sean Connery twee maanden later komt niet als een complete schok. Negentig jaar en een filmcarrière waar werkelijk niets aan ontbreekt, inclusief een welverdiende Oscar, is geen slechte score.

Wat overblijft zijn de herinneringen, vooral aan die eerste keren. Aan de gunbarrel (met de wobbly knee), de opwinding van het avontuur dat komen gaat, de verrassende gadgets, de slimme trucs, de buitenissige decors, de weelde die van het scherm spat. Met daarin het onverstoorbare middelpunt, Mr Cool himself, James Bond, synoniem voor Sean Connery. Veel gekopieerd, nooit geëvenaard.

Thunderball (1965)

Zijn overlijden markeert het definitieve einde van een tijdperk en daarmee een deel van mijn jeugd.

Niet veel later, toen ik Roger Moore voor de eerste keer zag in Live and Let Die, bleef van mijn eerdere eenkennigheid weinig meer over: ook in Ivanhoe schuilt een James Bond. Totaal anders, maar daarom niet minder leuk.

Al die James Bonds, van Lazenby tot Dalton, van Brosnan tot Craig, ze hebben allemaal op hun eigen wijze iets toegevoegd aan het Bond-karakter. Wordt mij voor de honderdduizendste keer gevraagd wie van hen de beste is, dan heb ik daar jarenlang niet op willen antwoorden; ze zijn mij alle zes even lief. Eén van die zes steekt echter boven de rest uit, en dat was mijn eerste. Zodra hij in beeld verschijnt, gebeurt er net iets meer dan bij die andere vijf. Als een magneet. Een aura dat met het verstrijken der jaren alleen maar sterker is geworden.

The Name of the Rose (1986)

Als ik denk aan zijn latere rollen, met name in de jaren tachtig en begin jaren negentig, dan zie ik toch altijd die prachtig gegroefde kop met die donkere ogen en een glimlach die nooit ver weg is; ik hoor zijn donkerbruine stem. Als James Bond vijftig-plus in Never Say Never Again; als William of Baskerville in mijn favoriete film aller tijden The Name of the Rose; zijn Oscar-winnende rol van Jim Malone in The Untouchables; de eigenwijze Prof. Henry Jones in Indiana Jones and the Last Crusade; als de gewiekste Rus Marko Ramius in The Hunt for Red October en zijn piepkleine optreden als King Richard in Robin Hood: Prince of Thieves.

Voor die laatste hoefde hij niet eens een vermelding op de aftiteling te hebben, één miljoen dollar was voldoende. Maar wat een einde voor zo’n spektakelfilm: Sean Connery die van zijn paard afstapt om zijn nicht, de bruid, weg te geven. Ik denk dat de acteurs in die film niet eens hoefden te spelen dat zij voor hem moesten buigen. Al met zijn eerste blik heeft hij je te pakken. Het enige wat hij hoefde te doen is aanwezig zijn. Die gave is niet veel acteurs gegeven.

 

Ook namens mij, namens Bond-liefhebbers en filmliefhebbers in het algemeen, een diepe diepe buiging voor de man die begon als James Bond en uitgroeide tot een levende legende. Een legende die nog generaties lang zal blijven voortleven.

Lieve Sir Sean, mijn held, rust zacht.

Deze column verschijnt ook bij James Bond Nederland.

dinsdag 30 juli 2013

Bonds in de bios

Robin Hood: Prince of Thieves
Onlangs Robin Hood: Prince of Thieves teruggezien op blu-ray. Blijft een leuke film. Met aan het eind een opvallende rol voor Sean Connery als King Richard. Opvallend klein, en opvallend genoeg niet vermeld bij de credits. De hoogste credit die je kunt krijgen.

Het was destijds in 1991 dat ik voor het eerst een James Bond-acteur in de bioscoop zag. En Connery heb ik daarna nog meermaals gezien op het witte doek in The Rock (1996), The Avengers (1998), Entrapment (1999) en The League of Extraordinary Gentlemen (2003).

De andere Bonds George Lazenby, Roger Moore en Timothy Dalton heb ik zowel als 007 als in andere films nooit in de bioscoop gezien. Roger Moore heb ik alleen gehoord in The Saint (1997), ook helemaal aan het eind van de film in een cameo. Hij werd wel vernoemd in de credits, anders had alleen ik hem waarschijnlijk herkend.

Mrs. Doubtfire

Pierce Brosnan en Daniel Craig zag ik eerder in de bios dan zij Bond waren. Beide toekomstige 007's zijn mij destijds niet opgevallen in Mrs. Doubtfire (1993) en Lara Croft: Tomb Raider (2001). Hoezo charisma?

Lara Croft: Tomb Raider

Brosnan heb ik naast zijn vier Bond-optredens ook nog gezien in The Thomas Crown Affair (1999) en The Ghost Writer (2010). En Craig nogmaals pre-Bond in Munich (2005), The Golden Compass (2007), Kuifje (2011) en The Girl with the Dragon Tattoo (2011).

Wanneer zag jij welke Bond voor het eerst op het witte doek?

© Bond Blog 2009 — 2026
Video- en fotorechten voorbehouden aan
Danjaq LLC. / Eon Productions, United Artists Co., Amazon MGM Studios, Columbia Pictures, 20th Century Fox Home Entertainment, Sony Pictures Inc., Universal Pictures